De Moeren

De Moeren. Les Moëres. Ooit een stuk verzopen moerasgrond op de grens van België en Frankrijk. Geometrisch geprangd tussen Veurne, Duinkerke en Bergues. Vlakbij dorpjes met kabbelende namen als Ghyvelde, Hondschoote en Leffrinckoucke. Waar Picon au vin blanc als pils wordt gedronken. In de Middeleeuwen waren De Moeren een schuiloord voor boeven en andere galgenbrokken. Later, na de drooglegging, een refuge voor de Koninklijke familie. Albert I verbleef tijdens de eerste wereldoorlog een jaar lang in de kasteelhoeve van Sinte Flora. Buiten het bereik van de Duitsers. De Moeren, stille getuigen van het leven achter het front van de Grote Oorlog. Dat was toen.

Nu zijn De Moeren de schrik van elke wielrenner die aan de start komt van Gent-Wevelgem, wedstrijd die morgen voor de 75e keer wordt gereden. Een jubileumeditie zonder mededogen, want ook deze keer dwars door dat stukje land aan de schreve (3500 hectare groot) waar de wind en de wind alleen de dingen bepaalt. Ook al is het van daar nog 145 kilometer tot aan de aankomst. Het blijft een gevreesde zone. Moerasduivels zuigen er af en toe een waaier rennertjes naar de kern van de aarde. Iedereen in het peloton weet dat. De bomenrijen in de Wenceslas Cobergherstraat vormden jarenlang dé bakens aan de horizon. Essen en populieren, kromgebogen door de nimmer aflatende zuidwester, als voorboden van een half uur wilde hysterie in het peloton. Maar de ijkpunten zijn weg. De bomen (1600 stuks) in de straat genoemd naar de architect van de basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel zijn in januari 2010 gesneuveld onder de blinde kapwoede van de Vlaamse Landmaatschappij. Een stilleven genadeloos verminkt. Jonge essen zijn ondertussen hun eigen gevecht met de wind aangegaan. Ze hebben een strijd van tientallen jaren in het verschiet.

© Stephan Vanfleteren
© Stephan Vanfleteren

Als man-op-de-motor keek ik elk jaar dagen op voorhand uit naar de passage in De Moeren. Veel meer dan naar de dubbele doortocht over de Kemmelberg of de sprint in de Vanackerestraat in Wevelgem. Van in Oostende gaf ik mijn motard al de sporen. Ju! Alle volgwagens voorbij om als laatste man in de staart van het peloton de gedragingen waar te nemen. Dertig kilometer lang. Wachtend op het moment dat kuitspieren echt als gitaarsnaren gingen jengelen. Het was een zegen om dat vanop de eerste rij te kunnen meemaken. Geroep en getier in de kudde. Fulmineren in het Duits, het Engels, het Frans, het Nederlands en het Noors. Vloeken als universeel gegeven. Fietsen worden op zo’n momenten door gaatjes gestuurd waar ze eigenlijk niet door kunnen. Bij de brug over de E40 in Adinkerke wil iedereen vooraan zitten. Daar is het tijd om recht te staan op de voetsteuntjes van de motor. Klaar om boven de ruggen van de renners het fenomeen der waaiers te aanschouwen. Een opwindend spel waar je helemaal in opgaat.

De dubbele betonplaten in de Cobergherstraat verdragen groepjes van acht, hoogstens negen renners. Hier geldt maar één recht, dat van de sterkste. Op zo’n momenten gaan de grote motoren van het peloton met diabolische wellust tekeer. Wie eerst komt, eerst maalt. De wetten in de wereld van de naar rotte eieren riekende ontharingscrèmes zijn dan onverbiddelijk. Concurrenten die zich er nog tussen willen wringen, komen niet zelden in de sloot terecht. Je gooit je anker uit naar het achterwiel van je voorganger en vreest de overlangse diepe groef tussen twee rijstroken. Actie overleven in opperste concentratie. Tijd om stil te staan bij het kruisje van de jong gestorvene die met zijn auto één van de bomen aan de rand van de weg heeft gepast is er niet. Na 50 meter in de gevreesde zone ontstaat een eerste waaier. Een paar honderd meter verder – waar de Wenceslas Cobergherstraat overgaat in de Moeresteenweg – ligt het peloton in een dozijn groepjes uiteen. Nog later kan je er met de motor voorbij. Eerst langs de waaiers van de wanhoop, kansloos in het verweer. Dan naast de kliekjes bevolkt met mannen die ervan dromen om nog in de spits te verschijnen. Stuk voor stuk uit de broek geschud om strijdend af te zien. Allemaal tussen hun fietskaders geplooid. Vooraan kijk je uiteindelijk opnieuw in de frisse, opmerkzame ogen van de sterkste mannen in de wedstrijd. En die moet dan eigenlijk nog beginnen.

304 is vandaag de drukst bezochte teletekstpagina in de hotelkamers van de renners: 5 beaufort en wind uit het noordoosten. De Moeren zullen ook deze keer niet ontgoochelen. De bomen mogen dan wel weg zijn, de wind laat zich niet kooien. Er zijn nog zekerheden in het leven.

(column Trofeo Baracchi Karl Vannieuwkerke/Stephan Vanfleteren verschenen in De Standaard/Weekblad van zaterdag 23 maart 2013)

Advertenties