Onder de titel kapitalisme heb ik in deze kolommen een paar maanden geleden eens lelijk uitgevaren tegen Oleg Tinkov, de steenrijke eigenaar van de Tinkoff-Saxoploeg. Strontziek van zijn domme uitspraken op Twitter (in de zin van ‘Alleen losers dragen een helm!’), weddenschappen voor dure Aston Martins en opgepompte salarissen die eerder demotiverend dan inspirerend werken. Waar was Peter Sagan sinds hij weet dat hij de volgende jaren 4 miljoen euro per seizoen gaat verdienen? In Ponferrada heeft hij in elk geval een unieke kans om wereldkampioen te worden laten liggen als je zag hoe de koers verliep. Sagan kan zich gerust twee zuipwinters permitteren. Deze week liet Tinkov opnieuw van zich horen. Hij wil een bonus van 1 miljoen dollar vrijmaken om de vier toppers in de drie grote ronden te zien fietsen. Vincenzo Nibali, Chris Froome, Nairo Quintana en Alberto Contador drie keer drie weken lang tegen mekaar. De bonus moeten ze verdelen. Als Sagan al vier miljoen euro per jaar verdient, krijgen bovenstaande heren ongetwijfeld nog wat meer. Dan is 250. 000 dollar (omgerekend tegen de koers van de dag 197.402 euro) een aalmoes. Gelukkig is het niet meer en brengt het de Italiaan, Brit, Colombiaan en Spanjaard niet op ideeën.

Drie keer drie weken een zware ronde op één seizoen is waanzin. Roofbouw. Oleg is één keer te veel op zijn hoofd gevallen. Zonder helm dan. Spektakelschurken à la Tinkov zetten onvermijdelijk aan tot overmatig dopinggebruik. Jaren wordt er gepleit om grote ronden minder zwaar te maken, evenveel jaren hebben we gezien dat de drang naar sensatie in de Ronde van Italië alleen maar is toegenomen. Brouwerijbaas en bankier Tinkov gaat nu nog een stap verder en wil dat de figuranten in het schouwspel bij elke voorstelling worden betrokken. Een onredelijke eis. Met geld verkrijg je echt niet alles.

‘Besteed geen aandacht aan die dwaze uitspraken van Tinkov’, denkt u ongetwijfeld. Probleem is dat ploegmanagers als Eusebio Unzué van Movistar en Sir David Brailsford van Sky al hebben laten weten dat ze het idee van Oleg Tinkov wel genegen zijn. Atleten blijven marionetten in het circus van de leenheren. Goed betaalde trekpoppen, dat wel. Zeker als je bij de top behoort. Maar geld verantwoordt nooit een aanslag op leven en gezondheid. De Internationale Wielerunie kijkt ondertussen opnieuw toe. UCI-voorzitter Brian Cookson kruipt maar wat graag in het hol van de mannen met de centen. De macht van de oligarchie van de koers wordt op die manier steeds groter. De zelfdestructie van één van de mooiste sporten ter wereld is al jaren bezig. En niemand roept ze een halt toe. Integendeel.

(column verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld van zaterdag 11 oktober 2014)

Eerder verschenen over dit onderwerp: column ‘kapitalisme’ (9/8/2014) lees hier

 

Op deze plek in de krant stond gisteren een oproep om de inspanning van Jens Voigt van donderdag niet te relativeren. Ik snap de oproep van een journalist die ter plekke was. Het is niet gemakkelijk om het evenement waar je pagina’s mee vult te minimaliseren. Daarmee doe je je eigen schrijfsels geen eer aan. 51115 meter fietsen in een uur tijd is ook een mooie prestatie, maar gezien de omstandigheden niet uitzonderlijk. Toch niet voor een afgetrainde prof op het materiaal waarop Jens Voigt het deed. Ik zie er in het peloton alvast tien die met een minimum aan voorbereiding deze afstand zomaar van de tabellen vegen. Fabian Cancellara, Bradley Wiggins en Tony Martin wachten best nog even om een aanval te wagen. Het zou te veel afbreuk doen aan het afscheid van Voigt, want zij gaan dit record verpulveren. En het geschenk is hem te veel gegund om het nu onmiddellijk opnieuw af te nemen. Ik stel me een brainstorm van een aantal maanden geleden bij Trek voor met als thema: ‘Wat gaan we Jens cadeau doen als hij straks stopt?’ De voorstellen waren divers. Van een gigantische grote taart waar zijn vrouw en zes kinderen ook van zouden meegenieten over een nieuwe fiets tot een halfnaakte paaldanseres. Tot iemand de term ‘werelduurrecord’ eruit floepte: ‘Waarom geven we hem geen uurrecord?’ Geniaal. Met de nieuwe regels kon er niets fout gaan en er zat al wel wat voorbereidingswerk in de laptop voor de tot gisteren twijfelende Fabian Cancellara.

Het afscheidsgeschenk voor Jens Voigt was er één met veel symboliek. Georkestreerd door Trek op een piste in Zwitserland waarvan grote concurrent BMC mede-eigenaar is. De hoofdzetel van BMC is overigens in Grenchen gevestigd. Trek is een Amerikaans fietsenmerk dat naam en faam verwierf dankzij Lance Armstrong. Het record werd aangevallen en gebroken op de dag dat Armstrong zelf 43 jaar werd (jawel, hij was donderdag jarig) een etmaal nadat de nieuwe recordhouder ook de gezegende koersleeftijd van 43 jaar had bereikt. Wat denk je zelf? Te veel toevalligheden om nog van toeval te spreken. Ik hield gisteren de Twitteraccount van Lance Armstrong in de gaten en hoopte stiekem op felicitaties voor Voigt, maar die kwamen niet. Ik begrijp hem wel. De provocatie was groot. Armstrong dacht ongetwijfeld: ‘Losers, geef me anderhalve maand en ik zet dit record scherper!’ Ik ben ervan overtuigd dat hij nog gelijk heeft ook. Er zit wel iets in de weg, een levenslange schorsing. Lance zal zijn plannen moeten opbergen en vanaf vandaag terugvallen op zijn nieuwe levensmotto: ‘Het leven is onmetelijk veel beter geworden sinds ik gedwongen ben om het niet meer serieus te nemen!’

(column verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld van zaterdag 20 september 2014)

 

 

Exact een week geleden. Ik was mijn sportende kinderen aan het aanmoedigen. Fier, zoals elke ouder. Tot kort voor de middag een eerste sms binnenliep. Een onheilstijding: ‘Igor Decraene zou overleden zijn. Iets met een trein.’ Zo stond het er. Ik verloor mijn kinderen uit het oog, bleef naar het scherm van mijn gsm kijken en las het bericht nog twee keer. Ik putte lichte hoop uit de voorwaardelijke wijs. Niet voor lang. Een volgende sms maande me aan om zijn Facebookpagina te bekijken. Daarop een stroom van rouwberichten. Vrienden en vriendinnen die hun steun betuigden en met betraande ogen woorden van ongeloof neerpenden. Ook op Twitter was de vloed van medeleven niet meer te stoppen, nieuwssites bevestigden: ‘Wereldkampioen tijdrijden bij de juniores Igor Decraene (18) is niet meer.’ Onwezenlijke titel maar wel realiteit.

Elf maanden eerder stonden zijn ouders in Firenze naar hun sportend kind te kijken. Allicht met nog iets meer fierheid dan ik op deze zaterdagochtend. Hun zoon was immers op weg naar de wereldtitel. Nog maar elf maanden is het geleden en niemand die eraan twijfelde dat Igor over een maand in Ponferrada een gooi zou doen naar een tweede regenboog. Die kans krijgt hij niet. Het noodlot? Vermoedelijk. Igor had te veel gedronken op een feestje en belandde op een plaats waar hij niet thuishoorde. Op de After Season Party van vorig wielerjaar waren zijn vrienden hem ook al eens een paar uur kwijt geweest nadat hij een enkele glazen teveel op had. Afgetrainde jongenslichamen verdragen nu eenmaal niet veel alcohol.

In de laatste maanden van 2013 mocht ik Igor twee keer interviewen. Een eerste keer toen hij zijn prijs van beste jongere kwam ophalen op het Gala van de Flandrien en een tweede keer toen hij nipt werd geklopt door Nafi Thiam in de strijd voor de Belofte van het jaar op het Sportgala. Hij charmeerde door zijn eenvoud. Strak in een pak waarmee jongens van zijn leeftijd op het platteland op zondagochtend naar de mis gaan. Toen we mekaar de hand drukten, verdween die van mij in zijn enorme kolenschoppen. Igor Decraene was een brok natuur. Ik zal me voor altijd zijn mooie ingetogen lach voor de geest halen. Een lach waarbij mondhoeken bijna tot oren reiken. Geen bulderlach, eerder verlegen, misschien iets minder gulzig dan een regenboogtrui verdraagt, maar wel een lach die aangaf dat Igor genoot van wat hij meemaakte. Ik probeer me Igor Decraene in de toekomst te herinneren als de simpele, getalenteerde en vrolijk fietsende boerenzoon die in Firenze de hemel bestormde. Niet als de jongen die op het verkeerde moment op de verkeerde plek door een trein werd gegrepen.

(column verschenen in Het Nieuwsblad van zaterdag 6 september 2014)

Een simpele blik van de Zuid-Afrikaan Reinardt Janse van Rensburg over zijn linkerschouder veroorzaakte het akeligste moment van de sportweek. De lawine aan valpartijen in de Stationsstraat van Ardooie tijdens de Eneco Tour was het gevolg van een dom maneuver in volle massasprint. Zes lokomotieven werden bruusk tot stilstand gebracht op tweehonderd meter van de terminus. Janse van Rensburg deed het niet opzettelijk, maar had met zijn ervaring beter moeten weten. Wie links achterom kijkt op een fiets zwenkt onvermijdelijk naar rechts uit. In een spurtend peloton levert dat levensgevaar op. De Zuid-Afrikaan haakte met zijn stuur in dat van Guardini en kwam ten val. De dominostenen donderden om tot bij Zdenek Stybar die op links geen kant meer uit kon. De Stationsstraat van Ardooie is de Champs Elysees in Parijs niet. En bovendien afgezoomd met dranghekken met uitstaande poten. Verfoeilijk hekwerk dat al lang verboden had moeten zijn in de laatste rechte lijn van een wielerwedstrijd. De crash zelf was pure horror. De wereldkampioen veldrijden – voortreffelijke piloot – vermocht niets tegen het noodlot dat hem over zijn fiets katapulteerde. De façade hard op de grond. Lippen weggebrand door het korrelige wegdek, tanden blijven steken in West-Vlaamse grond. Tom Boonen, Iljo Keisse en Guillaume Van Keirsbulck verzamelden zich rond de Tsjechische kampioen en sloegen de handen voor het gezicht. De aanblik onheilspellend, de vrees voor breuken gelukkig ongegrond.

Janse van Rensburg kwam van de kop na voortreffelijk piloteerwerk voor Luka Mezgec en liet zich onhandig opslorpen door het peloton. Doorzakkers, elke renner die zich in een spurt mengt is er als de dood voor. Zij die hun werk hebben gedaan en links of rechts geen vluchtweg zien, hebben maar één opdracht: handen aan het stuur en zo recht mogelijk blijven rijden. Laat de keuze aan de opkomende renners.

Dat weet iedereen die zich ooit eens in een massaspurt heeft gemengd. Dat had van Rensburg ook moeten weten. Wat naaiwerk aan boven- en onderlip en drie nieuwe tanden voor Zdenek Stybar. De schade is naar rennersnormen beperkt. Ik weet nu al hoe dit afloopt. Na de Eneco Tour gaat Janse van Rensburg, onder druk van zijn team Giant, op bezoek bij de Tsjech. Een fiets van zijn sponsor moet hij als geschenk niet meenemen aangezien Stybar er zelf al een betere heeft. Het wordt een grote mand met chocolade. En die wordt door Zdenek met een grote smile en met een rietje opgezogen nadat zijn kersverse vrouw Ine alles au bain marie heeft gesmolten. Zdenek Stybar is een eeuwige positivo en is straks sneller terug dan verwacht. Onthou die laatste prognose.

(column verschenen in Het Nieuwsblad op zaterdag 16 augustus 2014)

 

Meelevende mecenas en kortzichtige kapitalist. De twee begrippen worden in de sportwereld al eens door en voor mekaar gebruikt. De voorbije weken maakten pijnlijk duidelijk dat alleenheerschappijen en oligarchieën in de sport grote gevaren inhouden. F1-baas Bernie Ecclestone krijgt een boete ter hoogte van 75 miljoen euro, een bedrag dat een hele straat in een gemiddeld dorp in Vlaanderen in een leven niet bij mekaar kan sparen, en lacht die minachtend weg: ‘Jammer dat ik 75 miljoen moet betalen, maar als je het kan. Tja.’ Waar een doorsnee mens zich een dag slecht voelt als er een verkeersboete van 50 euro in de brievenbus valt, trekt Bernie zich bij een geldstraf van 75 miljoen euro nog een fles Romanée Conti open. Het zegt alles over ’s mans normbesef. Het zou genoeg kunnen zijn om nooit meer naar zijn gemanipuleerde circus te kijken, ware het niet dat ik de fysieke prestatie van de rijders hoog inschat. Wat mij betreft hadden ze Ecclestone na die uitspraak alsnog de gevangenis in mogen draaien. Uit respect voor alle mensen die elke dag keihard werken om aan het einde van de maand alle rekeningen plichtsbewust te kunnen betalen. Al zal Ecclestone tussen zijn 84e en 94e levensjaar ook het licht niet meer zien. Waardeloze vent.

In de Tour was onze ploeg in Frankrijk dan weer getuige van een tafereel dat elke verbeelding tart. Blijkbaar had Oleg Tinkoff, baas van de gelijknamige Tinkoff-Saxoploeg, de Pool Rafal Majka na winst in Risoul een Aston Martin beloofd als hij nog tijdens de Tour een bisnummer zou opvoeren. Majka won prompt op Pla d’Adet en zat ’s avonds met zijn baas aan tafel bij Lieven Van Gils. Na de babbel voor televisie verdwenen beiden in de tuin van het hotel waar zich een levendige discussie ontspon. ‘Dat van die Aston Martin was maar een grapje, Rafal’, probeerde Oleg. ‘En ik die dacht dat je een man van je woord was’, riposteerde de Pool. Tinkoff, in zijn eer gekrenkt, plooide: ‘Goed, je krijgt die Aston Martin, maar teken dan ineens ook nog een paar jaar bij!’ Auto’s ter waarde van een paar honderd duizend euro in het spel brengen waar wij onze kinderen een zakje chips of een ijsje beloven voor een glansprestatie. Dat kan je alleen als je niet meer weet hoe rijk je bent. Eigenlijk moeten we medelijden hebben met mensen die de waarde van het geld vergeten zijn. Al slepen ze een hele generatie renners mee in hun normenloze leventje. Peter Sagan heeft – na menig Twitterspelletje – getekend bij Tinkoff. Salaris? Naar verluidt 3,5 à 4 miljoen euro per jaar. Wedden dat de Slovaak later weddenschapjes aangaat met zijn kinderen voor een replica van een Aston Martin. Arme jongens.

(column verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld van zaterdag 9 augustus 2014)

Dertiende op 34 minuten en 1 seconde van winnaar Vincenzo Nibali. De symboliek van een plaats in een eindklassement kan bezwaarlijk groter. Jurgen Van den Broeck heeft in de Tour van dit jaar geen onuitwisbare indruk nagelaten, ging meer tegen de grond dan de doorsnee schaatser tijdens een Elfstedentocht en proefde in de bergen al te vaak bloed in de longen. Neen, het was niet de Ronde van Frankrijk van VDB. Hij wou wel meer, maar kon niet harder. Op de fiets luister je naar het ritme van de eigen ademhaling en de benen. Beiden dicteerden Jurgen Van den Broeck om de besten niet te volgen. Hij sleepte zich vooruit. De dorpjes die hij passeerde keerden hun rug naar de weg, uit ontgoocheling, medelijden of onverschillig defaitisme. Het leverde Jurgen uiteindelijk een achterstand van meer dan een half uur op de winnaar op. Jammer.
Het falen van de beste Belg in het eindklassement was voedsel voor de acolieten van het succes, de gelegenheidssupporters die even snel verdwijnen als ze komen. Zij die het hardst stonden te juichen toen Van den Broeck zijn eigen standaard net naast of zelfs op het Tourpodium legde (3e in 2010 na het schrappen van Contador en Mensjov, 4e in 2012) waren plots zijn grootste criticasters. In een oogwenk gebombardeerd tot nietsnut door de slippendragers van het opportunisme. Zo vergankelijk is een publiek leven. Van den Broeck verdient beter. Al is het maar voor de gedurfde keuzes. Tien jaar in het teken van de Tour, terwijl de gemiddelde Belgische wielrenner enkel wakker ligt van de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix of de Omloop van deze krant. Il faut le faire. Jurgen had na de tweede Tourweek kunnen kiezen voor de vlucht naar huis, maar ging voor de pijnlijkste vorm van zelfkastijding. Doorgaan tot in Parijs, uit respect voor het team, de ploegmaats en de echte fans. Het getuigt van wonderbaarlijk optimisme. ‘Ik blijf werken, elke dag van mijn leven zolang ik renner ben. Ik ben dat iedereen verschuldigd!’ Het is een mooie mantra. Dat iemand het maximum uit zijn beperkte potentieel haalt en dat doet door keihard te werken, kan je hem niet kwalijk nemen.
In 1997 was Peter Farazijn 39e en eerste Belg in de Tour. In Boezinge stond de fanfare hem op te wachten en vlogen de F16’s net niet over het dorp in de Westhoek. Een jaar later werd Farazijn 19e in het eindklassement en besteedde niemand aandacht aan zijn prestatie. De relativiteit van de Tourgekte is een object van meditatie. Als ik denk aan de stille tranen die Jurgen Van de Broeck het voorbije jaar tijdens zijn revalidatie liet in het kabinet van Lieven Maesschalk komt eigenlijk maar één woord in me op: RESPECT!
(column verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld op zaterdag 2 augustus 2014)

Kleine kantjes. Ze zijn des mensen. Ik heb er ook. Genoeg. Zo heb ik bijvoorbeeld een gloeiende hekel aan dt-fouten. Ik kan er niet mee om. Het resultaat van twaalf jaar college. Als ik er zelf één maak, ben ik een hele week humeurig. Als mensen rondom mij ze maken, kan ik het niet laten om ze erop te wijzen. Als een dt-fout in een reportage van mijn geesteskind Vive le vélo! sluipt, ben ik hypergevoelig. Dan weten de verantwoordelijken dat ze het eerste half uur na de uitzending het best uit mijn buurt blijven. Als we op antenne zijn, ontsnapt zo’n dt-fout me zelden. Gisteren wel. Helemaal opgeslorpt door de reportage met de weduwe van Andrei Kivilev die op 11 maart 2003 het leven liet op een onbeduidende strook asfalt in de straten van Saint-Etienne keek ik niet naar de kwaliteit van de ondertitels. Pas bij een tweede visie merkte ik de fout op en betrapte ik mezelf erop dat ik niet boos werd. Integendeel. Ik stuurde Sammy Neyrinck, de maker van de reportage, een sms met welgemeende felicitaties. Hij maakte het meest aangrijpende stukje televisie in de bestaansgeschiedenis van dit programma. Als een volleerde televisiemaker maar met ontzaglijk veel respect voor een weduwe en een zoon die zijn vader nooit heeft gekend.

Een reportage die ervoor zorgt dat ik straks in een luie strandzetel nog aan Léonard zal denken. Zes maanden oud toen zijn vader in Parijs-Nice stierf omdat er nog geen helmplicht was. Dat laatste een gevolg van die ene fatale val. ‘Ik heb mijn papa nooit gekend, maar men heeft me verteld dat hij een uitzonderlijk persoon was!’, las de nu 11-jarige jongen voor uit de brief die hij ook naar Tourbaas Christian Prud’homme verstuurde. Elke woord hakte fors in op mijn hart en ziel. Bij een vader van een zoon van elf komt zoiets nog harder aan. ‘Op die bewuste dag voelde mijn man zich een beetje ziekjes en wou hij eigenlijk niet starten. Hij wou uit de wedstrijd stappen. Maar even later belde hij terug dat ik onze baby van zes maanden mooi moest aankleden, want dat hij eraan dacht om op het podium te staan. Maar hij is er nooit geraakt’, fluisterde zijn weduwe Natalya. Op het foute moment op de verkeerde plek zijn. Het werd de voorbije dagen geïllustreerd in allerlei omstandigheden. Was Kivilev op die elfde maart maar niet op zijn fiets gestapt.

Sammy Neyrinck, Olivier Smets en Steven Van Hyfte legden donderdag ruim 900 kilometer – Saint-Etienne-Nice en terug – af voor één interview. Een gesprek dat het verschil maakt, dat mensen stof geeft tot nadenken. Ze doen het uit passie voor de stiel en het leven. Het is een eer dat ik met dit soort mensen kan en mag samenwerken.

(column verschenen in Het Nieuwsblad op zaterdag 19 juli 2014)