Exact een week geleden. Ik was mijn sportende kinderen aan het aanmoedigen. Fier, zoals elke ouder. Tot kort voor de middag een eerste sms binnenliep. Een onheilstijding: ‘Igor Decraene zou overleden zijn. Iets met een trein.’ Zo stond het er. Ik verloor mijn kinderen uit het oog, bleef naar het scherm van mijn gsm kijken en las het bericht nog twee keer. Ik putte lichte hoop uit de voorwaardelijke wijs. Niet voor lang. Een volgende sms maande me aan om zijn Facebookpagina te bekijken. Daarop een stroom van rouwberichten. Vrienden en vriendinnen die hun steun betuigden en met betraande ogen woorden van ongeloof neerpenden. Ook op Twitter was de vloed van medeleven niet meer te stoppen, nieuwssites bevestigden: ‘Wereldkampioen tijdrijden bij de juniores Igor Decraene (18) is niet meer.’ Onwezenlijke titel maar wel realiteit.

Elf maanden eerder stonden zijn ouders in Firenze naar hun sportend kind te kijken. Allicht met nog iets meer fierheid dan ik op deze zaterdagochtend. Hun zoon was immers op weg naar de wereldtitel. Nog maar elf maanden is het geleden en niemand die eraan twijfelde dat Igor over een maand in Ponferrada een gooi zou doen naar een tweede regenboog. Die kans krijgt hij niet. Het noodlot? Vermoedelijk. Igor had te veel gedronken op een feestje en belandde op een plaats waar hij niet thuishoorde. Op de After Season Party van vorig wielerjaar waren zijn vrienden hem ook al eens een paar uur kwijt geweest nadat hij een enkele glazen teveel op had. Afgetrainde jongenslichamen verdragen nu eenmaal niet veel alcohol.

In de laatste maanden van 2013 mocht ik Igor twee keer interviewen. Een eerste keer toen hij zijn prijs van beste jongere kwam ophalen op het Gala van de Flandrien en een tweede keer toen hij nipt werd geklopt door Nafi Thiam in de strijd voor de Belofte van het jaar op het Sportgala. Hij charmeerde door zijn eenvoud. Strak in een pak waarmee jongens van zijn leeftijd op het platteland op zondagochtend naar de mis gaan. Toen we mekaar de hand drukten, verdween die van mij in zijn enorme kolenschoppen. Igor Decraene was een brok natuur. Ik zal me voor altijd zijn mooie ingetogen lach voor de geest halen. Een lach waarbij mondhoeken bijna tot oren reiken. Geen bulderlach, eerder verlegen, misschien iets minder gulzig dan een regenboogtrui verdraagt, maar wel een lach die aangaf dat Igor genoot van wat hij meemaakte. Ik probeer me Igor Decraene in de toekomst te herinneren als de simpele, getalenteerde en vrolijk fietsende boerenzoon die in Firenze de hemel bestormde. Niet als de jongen die op het verkeerde moment op de verkeerde plek door een trein werd gegrepen.

(column verschenen in Het Nieuwsblad van zaterdag 6 september 2014)

Een simpele blik van de Zuid-Afrikaan Reinardt Janse van Rensburg over zijn linkerschouder veroorzaakte het akeligste moment van de sportweek. De lawine aan valpartijen in de Stationsstraat van Ardooie tijdens de Eneco Tour was het gevolg van een dom maneuver in volle massasprint. Zes lokomotieven werden bruusk tot stilstand gebracht op tweehonderd meter van de terminus. Janse van Rensburg deed het niet opzettelijk, maar had met zijn ervaring beter moeten weten. Wie links achterom kijkt op een fiets zwenkt onvermijdelijk naar rechts uit. In een spurtend peloton levert dat levensgevaar op. De Zuid-Afrikaan haakte met zijn stuur in dat van Guardini en kwam ten val. De dominostenen donderden om tot bij Zdenek Stybar die op links geen kant meer uit kon. De Stationsstraat van Ardooie is de Champs Elysees in Parijs niet. En bovendien afgezoomd met dranghekken met uitstaande poten. Verfoeilijk hekwerk dat al lang verboden had moeten zijn in de laatste rechte lijn van een wielerwedstrijd. De crash zelf was pure horror. De wereldkampioen veldrijden – voortreffelijke piloot – vermocht niets tegen het noodlot dat hem over zijn fiets katapulteerde. De façade hard op de grond. Lippen weggebrand door het korrelige wegdek, tanden blijven steken in West-Vlaamse grond. Tom Boonen, Iljo Keisse en Guillaume Van Keirsbulck verzamelden zich rond de Tsjechische kampioen en sloegen de handen voor het gezicht. De aanblik onheilspellend, de vrees voor breuken gelukkig ongegrond.

Janse van Rensburg kwam van de kop na voortreffelijk piloteerwerk voor Luka Mezgec en liet zich onhandig opslorpen door het peloton. Doorzakkers, elke renner die zich in een spurt mengt is er als de dood voor. Zij die hun werk hebben gedaan en links of rechts geen vluchtweg zien, hebben maar één opdracht: handen aan het stuur en zo recht mogelijk blijven rijden. Laat de keuze aan de opkomende renners.

Dat weet iedereen die zich ooit eens in een massaspurt heeft gemengd. Dat had van Rensburg ook moeten weten. Wat naaiwerk aan boven- en onderlip en drie nieuwe tanden voor Zdenek Stybar. De schade is naar rennersnormen beperkt. Ik weet nu al hoe dit afloopt. Na de Eneco Tour gaat Janse van Rensburg, onder druk van zijn team Giant, op bezoek bij de Tsjech. Een fiets van zijn sponsor moet hij als geschenk niet meenemen aangezien Stybar er zelf al een betere heeft. Het wordt een grote mand met chocolade. En die wordt door Zdenek met een grote smile en met een rietje opgezogen nadat zijn kersverse vrouw Ine alles au bain marie heeft gesmolten. Zdenek Stybar is een eeuwige positivo en is straks sneller terug dan verwacht. Onthou die laatste prognose.

(column verschenen in Het Nieuwsblad op zaterdag 16 augustus 2014)

 

Meelevende mecenas en kortzichtige kapitalist. De twee begrippen worden in de sportwereld al eens door en voor mekaar gebruikt. De voorbije weken maakten pijnlijk duidelijk dat alleenheerschappijen en oligarchieën in de sport grote gevaren inhouden. F1-baas Bernie Ecclestone krijgt een boete ter hoogte van 75 miljoen euro, een bedrag dat een hele straat in een gemiddeld dorp in Vlaanderen in een leven niet bij mekaar kan sparen, en lacht die minachtend weg: ‘Jammer dat ik 75 miljoen moet betalen, maar als je het kan. Tja.’ Waar een doorsnee mens zich een dag slecht voelt als er een verkeersboete van 50 euro in de brievenbus valt, trekt Bernie zich bij een geldstraf van 75 miljoen euro nog een fles Romanée Conti open. Het zegt alles over ’s mans normbesef. Het zou genoeg kunnen zijn om nooit meer naar zijn gemanipuleerde circus te kijken, ware het niet dat ik de fysieke prestatie van de rijders hoog inschat. Wat mij betreft hadden ze Ecclestone na die uitspraak alsnog de gevangenis in mogen draaien. Uit respect voor alle mensen die elke dag keihard werken om aan het einde van de maand alle rekeningen plichtsbewust te kunnen betalen. Al zal Ecclestone tussen zijn 84e en 94e levensjaar ook het licht niet meer zien. Waardeloze vent.

In de Tour was onze ploeg in Frankrijk dan weer getuige van een tafereel dat elke verbeelding tart. Blijkbaar had Oleg Tinkoff, baas van de gelijknamige Tinkoff-Saxoploeg, de Pool Rafal Majka na winst in Risoul een Aston Martin beloofd als hij nog tijdens de Tour een bisnummer zou opvoeren. Majka won prompt op Pla d’Adet en zat ’s avonds met zijn baas aan tafel bij Lieven Van Gils. Na de babbel voor televisie verdwenen beiden in de tuin van het hotel waar zich een levendige discussie ontspon. ‘Dat van die Aston Martin was maar een grapje, Rafal’, probeerde Oleg. ‘En ik die dacht dat je een man van je woord was’, riposteerde de Pool. Tinkoff, in zijn eer gekrenkt, plooide: ‘Goed, je krijgt die Aston Martin, maar teken dan ineens ook nog een paar jaar bij!’ Auto’s ter waarde van een paar honderd duizend euro in het spel brengen waar wij onze kinderen een zakje chips of een ijsje beloven voor een glansprestatie. Dat kan je alleen als je niet meer weet hoe rijk je bent. Eigenlijk moeten we medelijden hebben met mensen die de waarde van het geld vergeten zijn. Al slepen ze een hele generatie renners mee in hun normenloze leventje. Peter Sagan heeft – na menig Twitterspelletje – getekend bij Tinkoff. Salaris? Naar verluidt 3,5 miljoen euro per jaar. Wedden dat de Slovaak later weddenschapjes aangaat met zijn kinderen voor een replica van een Aston Martin. Arme jongens.

(column verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld van zaterdag 9 augustus 2014)

Dertiende op 34 minuten en 1 seconde van winnaar Vincenzo Nibali. De symboliek van een plaats in een eindklassement kan bezwaarlijk groter. Jurgen Van den Broeck heeft in de Tour van dit jaar geen onuitwisbare indruk nagelaten, ging meer tegen de grond dan de doorsnee schaatser tijdens een Elfstedentocht en proefde in de bergen al te vaak bloed in de longen. Neen, het was niet de Ronde van Frankrijk van VDB. Hij wou wel meer, maar kon niet harder. Op de fiets luister je naar het ritme van de eigen ademhaling en de benen. Beiden dicteerden Jurgen Van den Broeck om de besten niet te volgen. Hij sleepte zich vooruit. De dorpjes die hij passeerde keerden hun rug naar de weg, uit ontgoocheling, medelijden of onverschillig defaitisme. Het leverde Jurgen uiteindelijk een achterstand van meer dan een half uur op de winnaar op. Jammer.
Het falen van de beste Belg in het eindklassement was voedsel voor de acolieten van het succes, de gelegenheidssupporters die even snel verdwijnen als ze komen. Zij die het hardst stonden te juichen toen Van den Broeck zijn eigen standaard net naast of zelfs op het Tourpodium legde (3e in 2010 na het schrappen van Contador en Mensjov, 4e in 2012) waren plots zijn grootste criticasters. In een oogwenk gebombardeerd tot nietsnut door de slippendragers van het opportunisme. Zo vergankelijk is een publiek leven. Van den Broeck verdient beter. Al is het maar voor de gedurfde keuzes. Tien jaar in het teken van de Tour, terwijl de gemiddelde Belgische wielrenner enkel wakker ligt van de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix of de Omloop van deze krant. Il faut le faire. Jurgen had na de tweede Tourweek kunnen kiezen voor de vlucht naar huis, maar ging voor de pijnlijkste vorm van zelfkastijding. Doorgaan tot in Parijs, uit respect voor het team, de ploegmaats en de echte fans. Het getuigt van wonderbaarlijk optimisme. ‘Ik blijf werken, elke dag van mijn leven zolang ik renner ben. Ik ben dat iedereen verschuldigd!’ Het is een mooie mantra. Dat iemand het maximum uit zijn beperkte potentieel haalt en dat doet door keihard te werken, kan je hem niet kwalijk nemen.
In 1997 was Peter Farazijn 39e en eerste Belg in de Tour. In Boezinge stond de fanfare hem op te wachten en vlogen de F16’s net niet over het dorp in de Westhoek. Een jaar later werd Farazijn 19e in het eindklassement en besteedde niemand aandacht aan zijn prestatie. De relativiteit van de Tourgekte is een object van meditatie. Als ik denk aan de stille tranen die Jurgen Van de Broeck het voorbije jaar tijdens zijn revalidatie liet in het kabinet van Lieven Maesschalk komt eigenlijk maar één woord in me op: RESPECT!
(column verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld op zaterdag 2 augustus 2014)

Kleine kantjes. Ze zijn des mensen. Ik heb er ook. Genoeg. Zo heb ik bijvoorbeeld een gloeiende hekel aan dt-fouten. Ik kan er niet mee om. Het resultaat van twaalf jaar college. Als ik er zelf één maak, ben ik een hele week humeurig. Als mensen rondom mij ze maken, kan ik het niet laten om ze erop te wijzen. Als een dt-fout in een reportage van mijn geesteskind Vive le vélo! sluipt, ben ik hypergevoelig. Dan weten de verantwoordelijken dat ze het eerste half uur na de uitzending het best uit mijn buurt blijven. Als we op antenne zijn, ontsnapt zo’n dt-fout me zelden. Gisteren wel. Helemaal opgeslorpt door de reportage met de weduwe van Andrei Kivilev die op 11 maart 2003 het leven liet op een onbeduidende strook asfalt in de straten van Saint-Etienne keek ik niet naar de kwaliteit van de ondertitels. Pas bij een tweede visie merkte ik de fout op en betrapte ik mezelf erop dat ik niet boos werd. Integendeel. Ik stuurde Sammy Neyrinck, de maker van de reportage, een sms met welgemeende felicitaties. Hij maakte het meest aangrijpende stukje televisie in de bestaansgeschiedenis van dit programma. Als een volleerde televisiemaker maar met ontzaglijk veel respect voor een weduwe en een zoon die zijn vader nooit heeft gekend.

Een reportage die ervoor zorgt dat ik straks in een luie strandzetel nog aan Léonard zal denken. Zes maanden oud toen zijn vader in Parijs-Nice stierf omdat er nog geen helmplicht was. Dat laatste een gevolg van die ene fatale val. ‘Ik heb mijn papa nooit gekend, maar men heeft me verteld dat hij een uitzonderlijk persoon was!’, las de nu 11-jarige jongen voor uit de brief die hij ook naar Tourbaas Christian Prud’homme verstuurde. Elke woord hakte fors in op mijn hart en ziel. Bij een vader van een zoon van elf komt zoiets nog harder aan. ‘Op die bewuste dag voelde mijn man zich een beetje ziekjes en wou hij eigenlijk niet starten. Hij wou uit de wedstrijd stappen. Maar even later belde hij terug dat ik onze baby van zes maanden mooi moest aankleden, want dat hij eraan dacht om op het podium te staan. Maar hij is er nooit geraakt’, fluisterde zijn weduwe Natalya. Op het foute moment op de verkeerde plek zijn. Het werd de voorbije dagen geïllustreerd in allerlei omstandigheden. Was Kivilev op die elfde maart maar niet op zijn fiets gestapt.

Sammy Neyrinck, Olivier Smets en Steven Van Hyfte legden donderdag ruim 900 kilometer – Saint-Etienne-Nice en terug – af voor één interview. Een gesprek dat het verschil maakt, dat mensen stof geeft tot nadenken. Ze doen het uit passie voor de stiel en het leven. Het is een eer dat ik met dit soort mensen kan en mag samenwerken.

(column verschenen in Het Nieuwsblad op zaterdag 19 juli 2014)

Zijn voorwiel tikte het achterwiel van Jens Keukeleire aan, een val was het onvermijdelijke gevolg. Een aanzienlijk deel van het vel van de Tourwinnaar van vorig jaar bleef aan het korrelige asfalt van een rechte Noord-Franse weg plakken. Het was een gewone rit. Van Le Touquet naar Lille. Spurtersvoer zonder gevaar voor de klassementsjongens. Chris Froome veerde gezwind recht, zocht zijn fiets en werd op pad geholpen door de ploegmaats. Als een kuiken omringd door vier moederkloeken werd hij terug in het peloton geloodst. Niets aan de hand. De obligate val waar iedere renner in de Ronde van Frankrijk mee wordt geconfronteerd. Is er niets gebroken dan rij je gewoon verder. Zo schatten wij de situatie dinsdagavond in.

We hebben de impact van zo’n val daags voor de beruchte kasseienrit op het moreel van de broze Froome onderschat. Angst regeerde onder zijn schedelpan. De nacht van dinsdag op woensdag moet hij een paar keer badend in het zweet wakker zijn geworden. Het getik van de regen tegen het raam hielp niet om snel opnieuw de slaap te vatten. In de teambus op weg naar de Grote Markt van Ieper wist hij plots niet meer wat fietsen was. ‘Zit mijn achterrem nu links of rechts?’, hoorden we hem Dave Brailsford nog net in het oor fluisteren. Chris wist het echt niet meer, kroop met de daver op het lijf op zijn fiets en verdween door de Rijselpoort in Ieper op zoek naar de eerste kasseistroken. Die zou hij nooit zien. Een eerste nieuwe val nog op Belgisch grondgebied versterkte zijn geloof dat hij niet meer kon fietsen. ‘Wie helpt me aan steunwieltjes?’ Niemand. De ploegmaats brachten hem nog één keer terug. Toen hij een paar kilometer voor de kasseistrook van Gruson opnieuw tegen de vlakte ging, wist je het zeker. Froome stapt eruit. De lens van de camera registreerde vertwijfeling en berusting in één beeld. ‘Dit kan ik mijn ploegmaats niet aandoen, maar nu lig ik het liefst in een zetel met Michelle en onze kat in de buurt!’ Hinkend op twee gedachten zette Chris zich op de achterbank van de volgwagen en liet hij de ploegdokter het portier dichtslaan. De kroniek van een val in drie tijden en het vroegtijdige vertrek van dé Tourfavoriet na amper 5 dagen. Drama.

Nog voor Froome goed en wel in de wagen zat, ging een foto van Bradley Wiggins die met een brede smile L’Equipe las de wereld rond. Alberto Contador en Vincenzo Nibali konden een glimlach niet onderdrukken toen ze van hun sportdirecteur vernamen dat hun voornaamste concurrent weg was en Jurgen Van den Broeck zag plots het podium in Parijs op zijn netvlies verschijnen. De een zijn dood is de ander zijn brood. De sportwereld is keihard.

(column verschenen in Het Nieuwsblad van zaterdag 12 juli 2014)

 

Schermafbeelding 2014-07-11 om 20.08.24

De vergankelijkheid van het rennersbestaan werd deze week geïllustreerd door twee nieuwsberichten die mekaar opvolgden: BMC gaat het contract van Thor Hushovd niet verlengen was het eerste, al snel gevolgd door het nieuws dat de Noor niet meer van start ging in de vierde rit van de Dauphiné Libéré en ook de Ronde van Frankrijk van zijn agenda schrapte. Een dag eerder was hij in een vlakke rit op bijna 17 minuten van winnaar Arndt binnengelopen. Thor bekeek zijn imposante lijf in de spiegel van een Frans hotelletje en was eerlijk in de analyse: ‘Ik moet de hand in eigen boezem steken. Ik ben niet op de goede weg, ver verwijderd van mijn topvorm en verdien het niet om te worden geselecteerd voor de Tour!’ Ruiterlijk. Hushovd leeft al een paar jaar in Monaco-modus. Laisser faire. Koffietje aan het casino, trainingsritje in het hinterland, voldaan terugkijken op de verwezenlijkingen van het verleden. En die zijn niet min. Wereldkampioen, Gent-Wevelgem, twee groene truien en twaalf ritten in de Tour waaronder een magistraal nummer op weg naar Lourdes in 2011. De bonkige spurter won er als wereldkampioen – een titel tien maanden eerder veroverd in Australië – de Pyreneeënetappe over ondermeer de Col d’Aubisque. Het is het eerste verhaal dat ik later aan mijn kleinkinderen vertel als ze me ooit vragen wie Thor Hushovd was. Misschien klets ik er nog achteraan dat hij in de afdaling van de Aubisque achterna werd gezeten door een roedel wolven en alleen op die manier opnieuw op het wiel van de Fransman Jérémy Roy geraakte. De overlevering wil ook wat. Maar aan de essentie ga ik niet raken. Puur genot.

Mijmeringen over wat is geweest. Het lijkt het enige wat nog rest voor een man van 36 jaar. ‘Einde verhaal!’, was het eerste wat door mijn hoofd spookte toen ik de berichten las. Maar zeker is dat niet. Thor is taai en zegt voorzichtig dat er wel wat interesse is. Gaat hij dan ergens gratis rijden? Of voor een appel en ei? Geen enkele pro continentale ploeg kan in de buurt van zijn looneisen van de voorbije jaren komen, Hushovd zelf niet meer in de buurt van zijn beste niveau. Een ritje in een kleine ronde, type Poitou-Charentes, kan nog. Maar een zege in een monument? Nee toch. Twee derde plaatsen in Milaan-Sanremo, een tweede en een derde plaats in Parijs-Roubaix. Daar zal het wel bij blijven. Misschien moeten de managers van alle wielerploegen ter wereld een gentlemen’s agreement tekenen: ‘We laten Thor gerust en gunnen hem een mooie oude dag. Niemand trekt aan zijn mouw!’ De wereldkampioen van 2010 moet tegen zichzelf worden beschermd. Het aftakelingsproces bespaard. De minzame Noor verdient het.

(column verschenen in Het Nieuwsblad van zaterdag 14 juni 2014)