‘Ik dacht nergens aan. Ik probeerde gewoon zo hard mogelijk te fietsen!’ Niki Terpstra herinnerde ons afgelopen woensdag aan de onmetelijke schoonheid van een solovlucht. Hij had de dagen ervoor wel nagedacht. Over een pluchen paard. Zo’n exemplaar dat hij twee jaar eerder na winst in Waregem had gekregen. Van die kwaliteit dat zijn salaris het toelaat om er in China vijf containers van te bestellen zonder dat zijn bankrekening op het einde van de maand een gevaarlijke dip vertoont. Maar een tweede dier kopen was geen optie. Hij wou het paardje verdienen door te winnen! Na Luca mocht ook Zoey een knuffel met dezelfde emotionele waarde. Je ziet je kinderen allemaal even graag.
Er zullen de komende weken straffe dingen moeten gebeuren om het beeld van die solovlucht tussen Paterberg en Regenboogstadion te doen vervagen. Niki Terpstra gevangen in de eenzaamheid. Vechtend tegen de protesten van de vermoeidheid en voor elke seconde. In Flanders Fields opgejaagd door de vijand verpersoonlijkt door Stijn Devolder, Alejandro Valverde en Nicki Sörensen. Misplaatste maar snel gemaakte metafoor op een dag waarop een Amerikaanse president in de buurt van de aankomst gevallen soldaten komt eren en onze politici trakteert op een gratis les spreken in het openbaar. Door de kwaliteit en de namen van de achtervolgers was de solo van Terpstra nog sterker dan de vlucht over dezelfde afstand van twee jaar eerder. Zelfs zonder het stoorwerk van Steegmans waren Devolder, Valverde en Sörensen blijven plakken. Dat heeft met de onverzettelijkheid van de elk jaar sterker wordende Nederlander te maken. De carrosserie lijkt niet in verhouding tot de motor die erin steekt. Bij Cancellara en Boonen straalt het ervan af dat ze zo’n onderneming tot een goed einde zullen brengen, bij Terpstra twijfel je. Onterecht. Ook in hem schuilt een alfaman.
© mvh (Het Nieuwsblad)

© mvh (Het Nieuwsblad)

Niki startte zijn wieleractiviteiten bij wielerclub DTS. Door Training Sterk. Tja. Geheimen zijn er niet. Een rit in de Ronde van België, een etappe in de Dauphiné Libéré, eindwinst in Qatar, twee keer wereldkampioen ploegentijdrijden, twee keer Nederlands Kampioen op de weg en twee keer Dwars door Vlaanderen. Het rijtje wordt almaar langer. Maar die van afgelopen woensdag was met voorsprong de mooiste. Patrick Lefevere – die klaarkomt bij de gedachte aan een wereldtitel ploegentijdrijden – zal me nu allicht verwensen, maar wrijft zich ook in de handen. Terpstra kan straks in de Ronde van Vlaanderen (6e in 2012) en Parijs-Roubaix (5e in 2012 en 3e in 2013) in geval van nood zonder problemen het kopmanschap dragen. Als het even kan, maakt hij ook in Oudenaarde of Roubaix de bloemenmeisjes nat.

(column verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld van zaterdag 29 maart 2014)

‘Ik zweer hierbij dat ik je nooit zal weggooien, mijn loyale vriend!‘ Ik glimlachte toen Gerald Ciolek deze woorden gisteren via Twitter met de wereld deelde. De laatste winnaar van Milaan-Sanremo knipoogde/schamperde/snoefde naar zijn landgenoot Marcel Kittel. De charmante Kittel viel donderdag uit zijn rol toen hij in Tirreno-Adriatico op 2,6 kilometer van de aankomst in Cascina zijn fiets met beide armen boven zijn hoofd stak en met veel frustraties tegen vers asfalt kwakte. Marcel dacht aan winnen, maar viel. De Giant Propel moest het ontgelden. Impulsieve reactie na deceptie. Niet eens onlogisch. Ook al is Marcel eerder zacht, goedlachs en behulpzaam. Met een vrouw op het koersstuur door de straten van Bavikhove als daar een criterium wordt gereden. Het is het beeld dat beter bij hem past.

Moraalridders bestegen onmiddellijk hun ros en veroordeelden de actie van de Duitser. Schandalig! Respectloos! Misselijk makend! Daar had je ze weer, de azijnpissers. De etters die zich nooit eens proberen in te leven in het hoofd van een sporter. Ze proefden de naam Kittel met kwijl om de lippen. Onder druk van die zuurpruimen (en de marketeers binnen de ploeg?) kwam er snel een tweet van Marcel: ‘Mijn excuses voor het gooien met mijn geliefde Giant Propel. Ik hou er nog steeds van. We hebben gewoon een intense relatie!’ Alsof we het effect van de adrenaline niet zelf konden inschatten. Je hoeft er niet eens tussen te hebben gereden om het gevoel op te roepen, een minimum aan empathisch vermogen volstaat. Dat hij gisterenmorgen met een ruikertje bloemen achter de rug naar zijn fiets (waarvan het merk uiteraard duidelijk in beeld was) stapte, was de brug te ver. Pathetisch gedoe.

Een prijs in de categorie fietsslingeren zit er voor Kittel niet in. Het zag er goed uit, maar voorgangers deden beter. Zoals Bradley Wiggins vorig jaar in de Ronde van Trentino. Wiggo gooide zijn Pinarello met brede gebaren naar de kant. De fiets bolde naar een muurtje en parkeerde zichzelf zonder marge voor verbetering. David Millar staat ook op mijn lijst. In de Giro van 2008 leek hij op weg naar ritwinst toen mechanische pech hem dwarsboomde. De Schot kneep de remmen dicht en demonstreerde dat hij als discuswerper allicht ook een toekomst had. Maar dé fietsenwerper uit de geschiedenis van de wielersport is zonder twijfel Harm Ottenbros. De miskende wereldkampioen van 1969 zette in 1976 gefrustreerd een punt achter zijn carrière. In stijl. Harm reed naar de Zeelandbrug, pakt zijn fiets op en zwierde die over de reling de Oosterschelde in. Een goudeerlijke uiting van diepe emoties. Mooier wordt fietsslingeren nooit meer.

(column verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld van zaterdag 15 maart 2014)

Marcel Kittel gooit fiets (klik hier)

Harm Ottenbros zwiert fiets over Zeelandbrug de Oosterschelde in (klik hier)

 

Maxime Vantomme sprintte zich woensdag in Dour naar de zege in Le Samyn. Een wedstrijd van categorie 1.1, even belangrijk als Kuurne-Brussel-Kuurne. Amper goed voor een vierde van de kopij van laatstgenoemde wedstrijd. Minder traditie, op een weekdag en in Kuurne won Tom (van wie we de familienaam al niet meer moeten vermelden om te weten om wie het gaat). Dat Vantomme in Dour de beste was, is een wonder. Niet omdat hij er de mogelijkheden niet voor heeft, maar omdat hij vorig najaar net niet op de keien belandde toen zijn toenmalige team Crelan-Euphony bekendmaakte dat het de wielersport zou verlaten. Een flirt met Lotto-Belisol leverde voor Vantomme niets op. Er was bemiddeling van Jef Braeckevelt en Yves Leterme nodig om hem bij Roubaix Lille Metropole aan een contract te helpen. De oud-premier is van Zillebeke, Vantomme ook. Dat schept een band. Een vriendendienst van de adjunct-secretaris-generaal van de OESO kan je het bezwaarlijk noemen. Het gaat om het redden van een bijna onterecht afgebroken carrière. Het contract bij Roubaix Lille Metropole is van de zijde van Maxime Vantomme nu al vervuld.

Geloof me. Bij Lotto-Belisol – waar overigens meestal prima werk wordt geleverd – hebben ze na het zien van de voorbije drie wedstrijden spijt van hun beslissing. Daar hadden ze maar wat graag Le Samyn gewonnen om het leed van het openingsweekend te verzachten. Daarin werden ze helemaal weggereden. We kunnen er moeilijk bij dat een Belgische World Tourploeg een renner met de capaciteiten van Maxime Vantomme door de mazen van het net laat glippen. Een blunder. De jongste jaren was zijn progressie duidelijk. Nooit te beroerd om te knechten, steeds sterker. In 2013 31e in de Ronde van Vlaanderen, in een groep met Sep Vanmarcke en Matti Breschel. Vantomme kan in dienst van een kopman de finale van een klassieker rijden en zelf winnen in wedstrijden waar de groten hun neus voor ophalen. Met alle respect, maar bij Lotto hebben ze er zo geen vijf. Jens Debusschere is de enige West-Vlaming van de negentien Belgen bij de ploeg. We willen daar niet kneuterig over doen, maar zou het kunnen dat de talentdetectie van Herman Frison zich nog altijd beperkt tot zijn eigen kringetje gegroeid uit zijn verleden in de beloftencategorie? Met deze kritiek kunnen ze twee zaken doen: weglachen of erover nadenken.

En de reactie van Maxime Vantomme op de vraag of dit een grote middelvinger is naar de ploegen die hem niet moesten: ‘Nee, zo zie ik het niet. Ik wil vooral van mijn overwinning genieten!’ Klasse op en naast de fiets. Het type kerel waar je nooit problemen mee kent. Zo’n jongen die je graag in je ploeg hebt.

(column verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld van zaterdag 8 maart 2014)

Dinsdagavond. 19u14. Ik had een stuk Oud Brugge in blokjes gesneden en een fles wijn ontkurkt. Voor het eerst sinds lang stond er eens niets in de agenda. Het vooruitzicht van in de zetel ongestoord naar Manchester City-Barcelona te mogen kijken, bezorgde me een licht euforisch gevoel. Mijn vrouw was naar de wekelijkse zumbales, de kinderen maakten een tekening over hun ideale wereld, ik gooide een blok beukenhout op het vuur en vlijde me neer in de zetel. Gezellige winteravond. Moment van onthaasting. Bruusk gebroken door een trillend telefoontoestel. De gsm als boodschapper van de onomkeerbare mare: ‘Wielrenner Kristof Goddaert (27) is bij een verkeersongeluk om het leven gekomen. Goddaert viel met zijn fiets en een bus kon hem niet ontwijken.’ Ik las het nog eens, en nog eens, en nog eens. Toen pas sijpelde het door. OM HET LEVEN GEKOMEN. Zo stond het er. Dood dus. De nietsontziende realiteit. Weg gezelligheid. Twee minuten later maakte Wim De Vilder in Het Journaal gewag van een ongeval met een anonieme fietser en een bus in Antwerpen. De link was op die korte tijd nog niet gelegd. Stefaan Lammens maakte de sms een kwartier later helemaal onuitwisbaar en bevestigde het tragische nieuws in het sportblok. Op hetzelfde moment vielen in Kiev de eerste doden. Even erg, maar veel minder tastbaar.

Ik keek achter me. De kinderen tekenden rustig verder. Zich van geen kwaad bewust. Zoals het hoorde voor kinderen. Toen gingen mijn gedachten naar Rik en Yvette. Kristof Goddaert woonde al tien jaar in bij Rik Van Linden en zijn Yvette. Rik, de onverbiddelijke rasspurter. Veroveraar van twee etappezeges in de Vuelta, negen in de Giro en vier én de groene trui in de Tour. Maar vooral een gevoelsmens. Hij had de beloftevolle Goddaert in zijn hart gesloten, loodste hem in de jungle van wiel naar wiel, vierde zijn tweede plaats op het BK in Geel (achter een toch ongenaakbare Tom Boonen) als een zege en behandelde hem als een eigen zoon. Kristof liet niet na om de dankbaarheid voor wat Yvette en Rik voor hem deden te benadrukken. Lieve gast, allemansvriend. Sfeermaker in het peloton. Immer vriendelijk, altijd beleefd. Als je hem in volle koers met de motor voorbijstoof kwam er een knikje, een knipoog of ging het handje omhoog. En elke keer zeiden mijn motard en ik krek hetzelfde tegen mekaar: ‘Goe coureurke, die Goddaert!’ Het beste zullen we er evenwel nooit van te zien krijgen.

Ik dronk één glas wijn, at met lange tanden van de toch gesneden kaasblokjes en keek naar Manchester City-Barcelona. Ik herinner me enkel de uitslag: 0-2. Een bijzaak van een dinsdagavond die niet bracht wat we ervan verwachtten. Helaas!

(column verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld van zaterdag 22 februari 2014)

Ik waarschuw u. Ik ga deze column schaamteloos gebruiken om publiciteit te maken voor een kleine wielerploeg die in ons land moet opboksen tegen de twee bekende grote blokken. Niet omdat ik er belang bij heb, maar omdat de ploeg het verdient. Het positieve nieuws over Topsport Vlaanderen-Baloise geraakte de voorbije week ondergesneeuwd door faits divers bij de teams van Patrick Lefevere en Marc Sergeant waarvan ik de naam deze keer maar niet zal vermelden. Dat maakte me ongemakkelijk. Op het moment dat Zdenek Stybar in Hoogerheide wegreed van Sven Nys stak Kenneth Vanbilsen in Zuid-Frankrijk de handen in de lucht als winnaar van de Grand Prix d’Ouverture La Marseillaise. Een wedstrijd van het niveau van Kuurne-Brussel-Kuurne die geldt als de opening van het wielerseizoen op het Europese vasteland. Tegen Janneke en Mieke? Nee. De snelle Fransman Samuel Dumoulin werd derde, de sterke Duitser John Degenkolb vierde.

Vanbilsen, het snelle neefje van Eric Vanderaerden, kreeg een paar regels in de kranten en een klein kadertje op sportwebsites. Kon ook niet anders, want Stybar en Nys gingen met de beschikbare ruimte fietsen. Of het wel kan dat een wegrenner wereldkampioen veldrijden werd, bleek een zaak van staatsbelang. Het antwoord – dat zelfs geen nuance behoeft – is: ‘Ja!’. Het omgekeerde is trouwens ook waar. Een veldrijder heeft het recht om de Ronde van Vlaanderen of Parijs-Roubaix te winnen. Het boegeroep was dus misplaatst. Dan toch liever: ‘Goeiemorgen boe…’k ga nu nog maar opstaan!’. Maar we dwalen af. Vanbilsen won dus de Grand Prix d’Ouverture La Marseillaise.

Het was voor het eerst in 21 jaar dat Topsport Vlaanderen succes oogstte in de eerste wegwedstrijd van het seizoen. Nieuws me dunkt als een kleine ploeg vijf World Tour teams genadeloos aftroeft. Drie dagen later was het opnieuw prijs. Ploegleider Walter Planckaert maakte ‘s morgens in Bellegarde voor de eerste rit van de Ster van Bessèges nog eens duidelijk dat taktische besprekingen vooral motiverende babbels zijn. ‘Het is vandaag 5 jaar geleden dat Frederiek Nolf stierf. Doe zijn ouders en mij een plezier door verse bloemen te halen!’, zei Walter. Meer was niet nodig. Sander Helven won de eerste etappe met aankomst in Beaucaire, Kenneth Vanbilsen finishte als achtste en Tom Van Asbroeck op een tiende plaats. Een droomstart van het nieuwe wielerseizoen voor een ploeg die er al jaren prat op gaat als doorgeefluik van jong Vlaams talent te fungeren.

Voor het straks weer over farmagiganten en kansspelen gaat, willen we het nog één keer hardop uitschreeuwen: ‘Proficiat Topsport Vlaanderen-Baloise met de start van het nieuwe wielerjaar!’

(column verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld van zaterdag 8 februari 2014)

Gebeef in het wielerpeloton. De Killer van Spoltore kondigde een laatste moordende raid aan. Danilo Di Luca had de lange messen geslepen en de kisten besteld. Nog één keer zou hij uithalen en iedereen uit het wiel fietsen. Het moest een massamoord worden. Dinsdag werd aangekondigd dat Danilo Di Luca een dag later in een interview op de Italiaanse televisie het faillissement van de wielersport zou uitspreken. Hij zou namen noemen en met feiten komen. Niet alleen over chemische doping, maar ook over mechanische hulpmiddelen die al een zestal jaar in het peloton aanwezig zouden zijn. Hij  zou ons eindelijk vertellen wie de echte brommers zijn. Vooral dat laatste triggerde. Het Cancellara-verhaal over de Ronde van Vlaanderen en zijn motorfietsje in 2010 was een stille dood gestorven, maar werd plots opnieuw brandend actueel. Di Luca zou voor opheldering zorgen. Ik kan me zo voorstellen dat in Australië en Argentinië een aantal belangrijke heren uit de wielersport ongemakkelijk op de stoel begon te schuiven bij het horen van de aankondiging.

Een hele dag keken we uit naar het interview. Toen het op televisie passeerde konden we onze ogen niet geloven. Een flirt met het lachwekkende was het. Een spervuur van vragen met kort geknipte antwoorden die vooral bestonden uit gemeenplaatsen: “90% dopeert van de Girodeelnemers dopeert zich!” “De 10% die het niet doet hecht geen belang aan de wedstrijd.” “Ik ken geen enkele renner die zich nooit heeft gedopeerd!” “Een fiets met een motortje is al een jaar of zes mogelijk!” “Van zodra ze wisten dat het bestond, is erop gecontroleerd!” Daar moesten we het ongeveer mee doen. Het interview was niet meer dan een flauw spurtje uit verwrongen ledematen. Van moordenaar tot kakelaar. Mensen uit het milieu stonden zich te verdringen om op de radio hun mening te ventileren en in talkshows op te draven: “Zie je wel! Niets nieuws geleerd. Onze sport is veel properder geworden!” De wielerliefhebber in ons wil ze graag geloven, onze kritische geest  is waakzaam. Laat ons het kind met het badwater niet weggooien. Dat Danilo Di Luca ook zei dat de prooien de jagers nog altijd een stap voor zijn, blijft hangen. En over het gebruik van die motorfietsjes willen we zo stilaan toch ook wel eens het fijne weten. Zijn op die manier nu echt wedstrijden gewonnen?

Di Luca mag als atleet dan wel levenslang geschorst zijn, een blijvend spreekverbod hoeft niet. Maar als hij zijn mond nog eens opentrekt kan hij beter met namen en feiten komen. Enkel op die manier kan hij zijn oude liefde een dienst bewijzen. Nu gaf hij zijn criticasters munitie om zelf te worden afgeknald. Voor hen is de Killer van Spoltore niet meer!

(column ‘Karls klare kijk’ verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld van zaterdag 25 januari 2014)

Ongeveer 1,3 miljoenen Vlamingen zagen Sven Nys vorige zondag voor de negende keer Belgisch Kampioen veldrijden worden. Dan ben je geneigd om niet te lang te twijfelen en die (Sport)Oscar van de week gewoon aan hem te geven. Maar omdat Sven al zoveel prijzen heeft gewonnen en van een erkenning meer of minder al lang niet meer wakker ligt, schuiven we de trofee graag door naar jong talent: Wout Van Aert! From zero to hero, van anti-held tot held op 24 uur tijd. Van valse start bij de beloften tot eerste overwinning bij de profs in een etmaal. Wout had zich zijn laatste Belgische Kampioenschap bij de beloften wel anders voorgesteld. Een demonstratie voor ogen. Dwanggedachte. Want nog voor de groene lichten aanfloepten al drie fietslengtes los. Verraden door de zenuwen. Bij een valse start schrijft het reglement de uitsluiting voor. Een regel die weinig aan de verbeelding overlaat. De jury sloot hem dan ook eerst uit, besefte plots de draagkracht van de beslissing en ging te rade bij de concurrentie van Van Aert. Dommer kan niet. Bondscoach Rudy De Bie was duidelijk: ‘Dit kan je nooit vragen aan een atleet bij wie de adrenaline net niet uit zijn oren spuit.’

Het gevolg liet zich raden. ‘Ik ben het niet. Er is één renner die niet wil dat je nog start!’, fluisterde een hooggeachte heer van rang en stand Wout Van Aert in het oor. Heer? Neen. Mossel! Pak verdomme je verantwoordelijkheid en schuif die niet door naar jonge snaken die denken dat ze voor dé wedstrijd van hun leven staan. Wie de beelden goed bekijkt, ziet trouwens dat er drie zijn die protesteren. Uiteindelijk besparen zij de wielerbond de schande en veel gezichtsverlies. Wat zou er gebeurd zijn mocht Van Aert fluitend naar de titel zijn gereden? Een klacht van een ander team na de aankomst? Die kans is groot in een wereld van tribalisme waar stammenoorlogen dagelijkse kost zijn. De klacht zou – gezien het reglement geen ruimte laat – niet zonder gevolg zijn gebleven en Wout had zijn trui een paar dagen later mogen teruggeven. In dat geval zou hij ook nooit in Otegem zijn gestart en zijn eerste wedstrijd bij de profs niet hebben gewonnen. Hij mag de collega’s met persoonlijkheid dankbaar zijn.

Benieuwd of de wielerbond de betrokken juryleden op het matje roept. Het gevolg van het gebrek aan daadkracht van volwassen mensen is dat er op Facebook scheld- en dreigpagina’s zijn aangemaakt tegen jonge adolescenten. Een cursus sportpsychologie kan de jury misschien helpen. En Wout Van Aert? Die moet dat BK zo snel mogelijk vergeten en verder timmeren aan zijn carrière. In het geval van Sven Nys wordt op geen enkel moment nog gerefereerd aan gewonnen titels in…de beloftencategorie.

(column Karls Klare Kijk verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld van zaterdag 18 januari 2014)