Ongezelliger plekjes dan het Stade Louis II in Monaco. Ze bestaan niet. Een stadion met een atletiekpiste en een capaciteit van 18521 toeschouwers in de wijk Fontvieille.
De enige constante is dat er nooit sfeer hangt. Met alle respect voor de operationele directeur Filips Dhondt, maar AS Monaco is een club zonder ziel. Emotieloos. Zonder achterban, de hartslagader van elke voetbalploeg. De kampioen van de Franse Ligue 2 trok het afgelopen seizoen gemiddeld 5295 bezoekers en strandde daarmee op de dertiende plaats in de tweede klasse. Het laatste jaar dat Monaco in de Ligue 1 actief was, kwamen gemiddeld 6905 mensen voetbal kijken in het Stade Louis II. Cijfers om bij te wenen.

En daar gaan straks dus ondermeer Moutinho, Rodriguez en Falcao spelen. Een stunt mogelijk gemaakt door de steenrijke Rus Dmitry Rybolovlev. Die is op een feestje op een plezierjacht ooit eens aan de praat geraakt met Prince Albert. Hij vroeg hem of hij geen opslagruimte in het Stade Louis II op overschot had. Daar heeft Dmitry dan een paar vrachtwagens roebels en euro’s gelost. Naar verluidt heeft de zakenman drie mensen in dienst die het geld met de riek om de paar dagen omdraaien om het voor opstijgend vocht te behoeden. 130 miljoen euro is er uit die kelder gehaald om drie spelers te kopen. Zestig (!) miljoen euro voor Falcao alleen.

Bedragen die het gevolg zijn van Third Party Ownership. Simpel gesteld: een investeringsgroep recruteert jonge spelers in Zuid-Amerika en biedt ze in ruil voor een deel van hun transferrechten een hoger loon, een goede agent en sponsordeals aan. Op een dag willen die investeerders uiteraard ook cashen. Zo bezit Doyen Sports, het bedrijf van Jorge Mendes (ook agent van Ronaldo) en Peter Kenyon (voormalig directeur van Chelsea) 60% van de transferrechten van Falcao. Gefaseerd verkregen bij Porto en bij Atletico. Dat kon de transfersom van 40 miljoen euro aan Porto niet betalen waarna Doyen Sports nog wat meer macht verwierf op de Colombiaan. Na de gedane investeringen leek 60 miljoen euro een aanvaardbaar bedrag voor Doyen Sports. Zo hoog dat ploegen als Chelsea, Manchester City en Real Madrid afhaakten en één van de drie beste spitsen van de wereld straks gewoon in Monaco voetbalt. Radamel Falcao is lijfeigene van het systeem van Third Party Ownership. Maar dan wel een slaaf die wekelijks 300.000 euro gaat verdienen. Luxe en weelde in hopen, maar voetbalplezier? Dat gaat hij maar een paar keer per jaar meer ervaren. Als Monaco op bezoek gaat bij Marseille bijvoorbeeld. Dan zullen ruim 50.000 toeschouwers op de tribune zitten. Daar moet de ploeg van het prinsdom acht thuismatchen voor spelen.

(column verschenen in Het Nieuwsblad op zaterdag 1 juni)

Heimelijke intriges (ook kuiperijen genoemd), gegoochel met aandelen, te koop gestelde prestige. De Jupiler Pro League is in de week na de feesten in Brussel en Waregem verworden tot een sitcom: Patrick in Wonderland. Hoofdpersonage is – zoals de naam laat vermoeden – Patrick Decuyper, de yuppie-visionair met een schrijnend gebrek aan emotionele intelligentie. De nevenrollen zijn voor Bart De Wever (de voetbalonwetende die de hemel te snel wou bestormen), Yves Lejaeghere (emo-voorzitter van de nieuwe eersteklasser KV Oostende) en een aantal onbekenden die er vooral voor zullen ijveren om dat zo te houden. De inzet: een stamnummer. Nog voor de restanten van het vice-kampioenenbal in Waregem waren opgeruimd had Decuyper al een ijsemmer over het hoofd van Francky Dury leeggekapt en alle Essevee-supporters uit hun roes gehaald. Van de euforie naar de bad trip. Patrick Decuyper werkt als een LSD-tablet.

Tussen de plooien van de niet eens stijlvol ingeklede leugens viel deze week het heuglijke feit te noteren dat Cercle Brugge zich heeft verzekerd van het behoud. In Brugge spelen ook volgend jaar niet één maar twee eersteklassers, meneer Dewever. Ik ben nooit fanatiek supporter geweest van een voetbalploeg omdat ik een hekel heb aan fanatisme en dat per definitie uitsluit dat je ook mag genieten van goed spel van een concurrerende club. Ik heb wel altijd al sympathie gehad voor Cercle Brugge. Bevooroordeeld. Ik geef toe. Toen ik zestien jaar was en nog in doel stond bij VK Ieper viel bij ons thuis een brief in de bus met de vraag van Cercle om te testen op Olympia. Een gloriemoment. Maar met een doelman van 1m71cm konden ze toen niets doen. Sindsdien is er helaas geen centimeter meer bijgekomen. Ik wacht nog altijd op die ultieme groeischeut. De sympathie voor groen-zwart is daar dus geboren.

Ik kon een jubelkreetje niet onderdrukken toen ik het nieuws hoorde dat Cercle zich had gered. Blij dat er op bestuursvlak nog ruimte kan zijn voor rustige vastheid in een voetbalwereld die tegenwoordig vooral wordt geregeerd door nouveaux riches. Verliezen en toch juichen zoals donderdagavond. Schaamte moeten ze er bij Cercle niet voor hebben. Een financieel gezonde basis, traditie en respect voor de meest elementaire waarden van een sportvereniging. Tegen het licht der gebeurtenissen van de voorbije dagen is mijn sympathie voor stamnummer 12 alleen maar toegenomen. Maar supporter? Neen, dat mag je van mij nu ook weer niet verwachten. Ik ben fan van mooi voetbal en goede voetballers. Van Eidur Gudjohnsen bijvoorbeeld. En dan maakt het echt niet uit of hij nu voor Cercle dan wel voor Club speelt…

Het was half maart en het vroor twee graden onder nul. We hadden net de opnames van de eerste aflevering van God in Frankrijk afgesloten op het marktplein van Lens toen we op zoek gingen naar de warmte van een eetgelegenheid. Aan de muur van brasserie/friterie O’Déjeuner hing een grote ingekaderde foto van ex-renner Philippe Gaumont. ‘Was dit zijn supporterslokaal?’, probeerde ik bij de barman. ‘Non, monsieur!’, antwoordde die laatste. ‘Il est le propriétaire de cette brasserie, c’est mon patron.’ De vroegere boezemvriend van Frank Vandenbroucke bij Cofidis had zich met zijn rennerscenten een horecazaak aangeschaft. Een mens moet nu eenmaal verder in het leven. Toen ik eergisteren het bericht las dat diezelfde Philippe Gaumont op 40-jarige leeftijd in een coma was beland na een zware hartaanval moest ik toch even slikken. En tegelijk verwonderde het me niet. De witte van Cofidis was altijd een man van extremen.

Ik heb hem eens helemaal naakt door een gang zien dwalen. Tijdens de Driedaagse van De Panne van het gezegende VDB-jaar 1999 maakten we een reportage over Frank. Twee dagen nadat hij met vuurrood haar aan de start van de E3-prijs was verschenen, werden we ontboden in een groezelig hotelletje in Harelbeke. Frank lag op de massagetafel en we mochten wat beelden maken. Toen we de trappen van het bijgebouwtje beklommen, kwam de typische scherpe geur van een versgerolde joint in onze richting gewaaid. Een paar seconden later stond de prachtatleet Philippe Gaumont helemaal naakt voor ons. Half verdwaasd, maar uiterst charmant en vriendelijk: ‘Vous trouvez Frank dans la chambre numéro 3!’ Zonder enige vorm van gêne zette hij zijn dwaaltocht door de hotelgang verder. VDB was toen helemaal in de ban van Gaumont. ‘Toen ik bij Cofidis aankwam, was ik een gewone jongen, maar toen heb ik Philippe leren kennen!’, zou hij later over zijn ontmoeting met de flamboyante Nordist vertellen.

Gaumont overdreef altijd. Té veel, in alles. In 1999 viel hij tijdens de Ronde van Vlaanderen in de Paddestraat. Té lang in een bordeel gezeten. Twee jaar later brak hij zijn dijbeen in het Bos van Wallers. Té genereus in de inspanning. Hij leerde Vandenbroucke het slaapmiddel Stilnoct kennen. Maar ze consumeerden niet met mate, maar té veel. Het kon nooit op. Misschien heeft hij door in alles te overdrijven het trieste levenseinde van VDB en zijn eigen hartaanval in de hand gewerkt. Eigen schuld dikke bult kan je dan makkelijk zeggen, maar de dood wens je niemand toe. Ook Philippe Gaumont niet. Daarvoor was hij dan weer té innemend. Ik kruis mijn vingers en hoop dat alles goed komt. Het is immers nooit té laat.

(column verschenen in Het Nieuwsblad/Sportwereld van zaterdag 27 april 2013)

PS: Philippe Gaumont overleed op maandag 13 mei in het ziekenhuis van Arras. RIP.

‘Schooljongen steelt eerste dag van de Masters’, kopte de Wall Street Journal gisteren. Guan Tianlang was op donderdag dé sensatie de Masters, het eerste van vier Majortornooien in een golfseizoen. De enige Major ook die elk jaar op dezelfde baan wordt gespeeld, die van de exclusieve Augusta National Golf Club. Guan is Chinees en met zijn 14 jaar de jongste deelnemer ooit. Vorig jaar Aziatisch amateurkampioen geworden en daarmee verzekerd van deelname aan de Masters. Scepsis was zijn deel aan de vooravond van het tornooi. Levende golflegende Colin Montgomerie liet zich tijdens de voorbeschouwing op Sky Sports ontvallen dat Guan al lang blij mocht zijn als hij zijn eerste ronde van 18 holes in 80 slagen zou afwerken. Het werden er 73, 1 minder dan onze Nicolas Colsaerts en 2 minder dan de uittredende kampioen Bubba Watson. Het leverde Guan op hole 18 een staande ovatie van het publiek op. De tweede ronde speelde hij gisteren in 75 slagen inclusief strafslag wegens te traag spel. Nog altijd vijf minder dan de door Monty voorspelde 80 en goed genoeg om de cut te halen. Iets wat van Colsaerts, Poulter, Harrington en Simpson – om er maar een paar te noemen – niet kan worden gezegd.

Het 14-jarige kind uit Guangzhou had de hulp van zijn caddie nodig om zeker te zijn dat de scorekaart correct was ingevuld, maar de vijf sterretjes van de Chinese vlag op de linkerborst van Guan lichtten op van trots. China als golfnatie. Een markt die nog maar net is aangeboord. Op korte tijd zijn er ruim 600 golfbanen geopend. Dat heeft alles te maken met de intrede van de sport op het Olympische programma. In Brazilië worden over drie jaar voor het eerst golfmedailles uitgereikt. Toen dat nieuws bekend werd gemaakt, gingen in Peking de ogen open. De voorzitter van het Chinees Olympisch Comité ondernam onmiddellijk actie. Hij contacteerde Pete Cowen, één van ‘s werelds meeste gerenommeerde coaches in de sport: ‘Of hij China in 2020 al Olympische golfmedailles kon bezorgen? En hoeveel Chinezen hij daarvoor dacht nodig te hebben? Twintig duizend, honderd duizend, een half miljoen?’ De ton waarin naar talent kan worden gegrabbeld is uiteraard bijna nergens zo gevuld als in China. Volksrepubliek met 1,35 miljard inwoners.

Eén ding hadden ze over het hoofd gezien. Dat Pete Cowen een man van principes is. Toen hij de Chinezen vroeg wat er met de duizenden spelers die het niet haalden zou gebeuren, gaven ze hem het verkeerde antwoord: ‘Dumpen!’ Geen sociaal vangnet voor zij die niet goed genoeg blijken. Verloren carrières, levens op de rand van het faillissement. Cowen paste voor de opdracht. Ondertussen zal er ongetwijfeld wel een andere gek, die geld wel boven zeden verkiest, gevonden zijn. Guan Tianlang zit duidelijk in het kamp der gelukkigen. Een positie die niet voor elke Chinese vrijwilliger is weggelegd.

(column verschenen in Het Nieuwsblad van zaterdag 13 april 2013)

De Moeren

Posted: 24/03/2013 in Uncategorized

De Moeren. Les Moëres. Ooit een stuk verzopen moerasgrond op de grens van België en Frankrijk. Geometrisch geprangd tussen Veurne, Duinkerke en Bergues. Vlakbij dorpjes met kabbelende namen als Ghyvelde, Hondschoote en Leffrinckoucke. Waar Picon au vin blanc als pils wordt gedronken. In de Middeleeuwen waren De Moeren een schuiloord voor boeven en andere galgenbrokken. Later, na de drooglegging, een refuge voor de Koninklijke familie. Albert I verbleef tijdens de eerste wereldoorlog een jaar lang in de kasteelhoeve van Sinte Flora. Buiten het bereik van de Duitsers. De Moeren, stille getuigen van het leven achter het front van de Grote Oorlog. Dat was toen.

Nu zijn De Moeren de schrik van elke wielrenner die aan de start komt van Gent-Wevelgem, wedstrijd die morgen voor de 75e keer wordt gereden. Een jubileumeditie zonder mededogen, want ook deze keer dwars door dat stukje land aan de schreve (3500 hectare groot) waar de wind en de wind alleen de dingen bepaalt. Ook al is het van daar nog 145 kilometer tot aan de aankomst. Het blijft een gevreesde zone. Moerasduivels zuigen er af en toe een waaier rennertjes naar de kern van de aarde. Iedereen in het peloton weet dat. De bomenrijen in de Wenceslas Cobergherstraat vormden jarenlang dé bakens aan de horizon. Essen en populieren, kromgebogen door de nimmer aflatende zuidwester, als voorboden van een half uur wilde hysterie in het peloton. Maar de ijkpunten zijn weg. De bomen (1600 stuks) in de straat genoemd naar de architect van de basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel zijn in januari 2010 gesneuveld onder de blinde kapwoede van de Vlaamse Landmaatschappij. Een stilleven genadeloos verminkt. Jonge essen zijn ondertussen hun eigen gevecht met de wind aangegaan. Ze hebben een strijd van tientallen jaren in het verschiet.

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

Als man-op-de-motor keek ik elk jaar dagen op voorhand uit naar de passage in De Moeren. Veel meer dan naar de dubbele doortocht over de Kemmelberg of de sprint in de Vanackerestraat in Wevelgem. Van in Oostende gaf ik mijn motard al de sporen. Ju! Alle volgwagens voorbij om als laatste man in de staart van het peloton de gedragingen waar te nemen. Dertig kilometer lang. Wachtend op het moment dat kuitspieren echt als gitaarsnaren gingen jengelen. Het was een zegen om dat vanop de eerste rij te kunnen meemaken. Geroep en getier in de kudde. Fulmineren in het Duits, het Engels, het Frans, het Nederlands en het Noors. Vloeken als universeel gegeven. Fietsen worden op zo’n momenten door gaatjes gestuurd waar ze eigenlijk niet door kunnen. Bij de brug over de E40 in Adinkerke wil iedereen vooraan zitten. Daar is het tijd om recht te staan op de voetsteuntjes van de motor. Klaar om boven de ruggen van de renners het fenomeen der waaiers te aanschouwen. Een opwindend spel waar je helemaal in opgaat.

De dubbele betonplaten in de Cobergherstraat verdragen groepjes van acht, hoogstens negen renners. Hier geldt maar één recht, dat van de sterkste. Op zo’n momenten gaan de grote motoren van het peloton met diabolische wellust tekeer. Wie eerst komt, eerst maalt. De wetten in de wereld van de naar rotte eieren riekende ontharingscrèmes zijn dan onverbiddelijk. Concurrenten die zich er nog tussen willen wringen, komen niet zelden in de sloot terecht. Je gooit je anker uit naar het achterwiel van je voorganger en vreest de overlangse diepe groef tussen twee rijstroken. Actie overleven in opperste concentratie. Tijd om stil te staan bij het kruisje van de jong gestorvene die met zijn auto één van de bomen aan de rand van de weg heeft gepast is er niet. Na 50 meter in de gevreesde zone ontstaat een eerste waaier. Een paar honderd meter verder – waar de Wenceslas Cobergherstraat overgaat in de Moeresteenweg – ligt het peloton in een dozijn groepjes uiteen. Nog later kan je er met de motor voorbij. Eerst langs de waaiers van de wanhoop, kansloos in het verweer. Dan naast de kliekjes bevolkt met mannen die ervan dromen om nog in de spits te verschijnen. Stuk voor stuk uit de broek geschud om strijdend af te zien. Allemaal tussen hun fietskaders geplooid. Vooraan kijk je uiteindelijk opnieuw in de frisse, opmerkzame ogen van de sterkste mannen in de wedstrijd. En die moet dan eigenlijk nog beginnen.

304 is vandaag de drukst bezochte teletekstpagina in de hotelkamers van de renners: 5 beaufort en wind uit het noordoosten. De Moeren zullen ook deze keer niet ontgoochelen. De bomen mogen dan wel weg zijn, de wind laat zich niet kooien. Er zijn nog zekerheden in het leven.

(column Trofeo Baracchi Karl Vannieuwkerke/Stephan Vanfleteren verschenen in De Standaard/Weekblad van zaterdag 23 maart 2013)

‘Andy blijft onze kapitein en we gaan er alles aan doen opdat hij de ploeg kan leiden in de klassiekers en de Tour.’ Het zijn woorden van Flavio Becca, de baas van Andy Schleck. En ook: ‘We weten nog niet of we hem een boete gaan geven omdat hij stomdronken in een hotellift is aangetroffen. We willen eerst zijn kant van het verhaal horen.’ Als ze beslissen om hem een boete te geven, overweeg ik om een klacht neer te leggen tegen Becca. Wegens poging tot moord. Het verhaal van Andy Schleck is niet dat van een dronken topsporter uit op een verzetje. Wel dat van een hopeloos op de dool zijnde jongeman zwalpend op een zee vol draaikolken en woeste golven. Andy Schleck is in zijn hoofd al een hele tijd geen topsporter meer. Duw hem niet nog dieper in het moeras, maar leg zijn ziel aan de trekhaak van een psychiater. Dringend.

Verslaafd aan alcohol. Duidelijk. Dol op pillen. Allicht. Gewoontes gevoed door de soms ondraaglijke last van de weelde en de prik- en slikcultuur van zijn biotoop. Waarschijnlijk. Al hebben we voor dat laatste geen bewijzen. Toch is alles vreselijk herkenbaar. Pantani, Jimenez, Vandenbroucke,… De symptomen vertonen te veel parallellen met de levenswandel van de gesneuvelde helden om ze niet te zien. Destijds werden de ziekteverschijnselen – want dat zijn ze – veel te lang genegeerd. Dat mag niet nog eens gebeuren. Sommige mensen zijn allicht niet te redden, maar het niet proberen staat gelijk met schuldig verzuim.

Andy Schleck nog klaarstomen voor een hoofdrol in de Ronde van Frankrijk van dit jaar is onbegonnen werk. Vergeet de wielrenner Schleck, denk aan de mens Andy. Een totale koersonthouding is de enige optie. Hem nu extra druk opleggen, staat gelijk met het afroepen van het noodlot. Als dat voor de sponsors van zijn ploeg niet te verzoenen valt met gedane investeringen wordt nog maar eens duidelijk dat deze wereld vooral met opportunistische klootzakken is bevolkt. Andy Schleck heeft zijn werkgever de voorbije jaren genoeg publiciteit bezorgd om nu even wat tijdskrediet te kunnen krijgen. De grootste overwinning die voor Andy nog is weggelegd, is die van het herwonnen geluk. Iemand moet de tekst van het nummer Ploegsteert van Het Zesde Metaal dringend in het Engels vertalen en naar zijn entourage en zijn manager opsturen: Ambitie trekt ip overmoed. Ze zijn rap te verwarren. Een huis buiten proportie en een pote veel te sjieke karren. ‘t was leven ip te groot verzet. ‘t probleem van slechte maten. Ze staan altijd klaar, aasgieren en sjacheraars.’ Red Andy Schleck! Ondertussen gaan wij wel volledig op in Milaan-Sanremo. De realiteit van het leven is nietsontziend.

Moussa Dembélé op vrouwendag op de voorpagina van een krant omdat hij schaduwbokst met zijn zus. Wat zou Delfine Persoon ervan denken? Zij is wereldkampioene boksen bij twee bonden (WIBF en IBF), maar werd tot dusver vooral geweerd van covers. We slaan – ook op televisie – door in de berichtgeving over voetbal en wielrennen. Moussa Dembélé op de frontpagina, Bart Swings (klaar voor de laatste manche van de wereldbeker) en Hans Van Alphen (Olympische held op de operatietafel) weggestopt in hoekjes op de binnenpagina’s. Wat voetballers doen als ze niet op het veld staan of wielrenners als ze niet op een fiets zitten, lijkt in dit land stilaan belangrijker dan de prestaties van atleten uit andere disciplines. Beangstigend.

Ik heb Delfine Persoon twee weken geleden in de Mediamarkt van Roeselare in lingerie gezien. Ik was in de winkel om een koffiezetapparaat te kopen en stelde tot mijn verbazing vast dat er een weging van een boksmeeting plaatsvond. In de afdeling multimediaspeakers staat een klein podium opgesteld. Daarop een ouderwetse weegschaal. Eén voor één worden ze gewogen, de boksers die een dag later in zaal Schiervelde de nobelste aller sporten zullen beoefenen. Schoenen, broek, jas, T-shirt zonder gêne uit in de winkel en in slip op het podium. Man of vrouw. Een onderscheid wordt niet gemaakt. Zo staan ook de Afrikaanse kampioene Fatuma Zarika en Delfine Persoon, die laatste in een mooi blauw lingeriesetje, halfnaakt in de Mediamarkt. Afgetraind als topatletes tussen de slimme televisies, microgolfovens en de USB-sticks. Een vreemd gezicht. Een lauw applausje van de dertig toeschouwers is hun deel als blijkt dat ze moeiteloos onder het voorziene competitiegewicht blijven.

De Afrikaanse kampioene is een dag later geen partij voor de agente bij de Brugse spoorwegpolitie. Persoon domineert de kamp en wint overtuigend op de punten. Ik lees het twee dagen later in een artikeltje van 8 lijnen in de krant. Naast haar wereldtitels heeft ze nog maar één onderscheiding in ontvangst mogen nemen. Ze is in 2012 verkozen tot sportvrouw van de provincie West-Vlaanderen. En af en toe is er een scheutje erkenning van een pendelaar vertelt ze me op de uitreiking van die trofee: ‘Kijk, dat is die flik die bokst!’ Ze glimlacht als ze het vertelt. Delfine Persoon bokst op 29 maart in Gent een eliminatiegevecht voor de WBC tegen de Bulgaarse Petkova. Als ze wint, komt er ook in die bond een wereldtitelgevecht. Ik koester de hoop dat we met zijn allen aandacht zullen besteden aan haar prestatie. Maar een voorpagina? Ik betwijfel het. Die is voorbehouden voor persoonsgebonden schaduwgevechten.

(column verschenen in Het Nieuwsblad op zaterdag 9 maart 2013)